zondag 23 april 2017

Kanker krijg je nooit alleen


Op zaterdagavond 22 april 2017 was ik te gast bij Levensloop (Kom op Tegen Kanker) in Leuven, waar ik een getuigenis mocht afleggen over het belang van open communicatie in de omgang met kankerpatiënten en hun omgeving.  Dat gebeurde naar aanleiding van ‘Weg van jou’, een boek dat ik vorig jaar schreef over de fatale ziekte die Claudine, mijn lieve echtgenote, trof.   Het is een lange tekst, maar sommige situaties zijn nu eenmaal niet ‘eenvoudig’ uit te leggen … Ik hoop dat zwaar zieke patiënten én hun familieleden hier baat kunnen bij hebben.  Het getuigenis ging als volgt:

Ik val maar meteen met de deur in huis: “Kanker krijg je nooit alleen.”  Wel in de medische, fysieke betekenis van het woord, natuurlijk.  Maar niet als je rekening houdt met de immense invloed  ervan op de familie en de sociale omgeving van de persoon in kwestie.  Iedereen in zijn of haar omgeving is er onherroepelijk bij betrokken.

Claudine, mijn lieve echtgenote, vocht bijna vijf jaar tegen uitgezaaide borstkanker.  Ze had een bijzonder grote levenslust en ze was een onverbeterlijke optimist, ook als het moeilijk ging.  Ze leefde elke dag, niet alsof het haar ‘laatste’, maar alsof het haar ‘eerste’ was: ze wou niet constant denken aan het ‘einde’, maar ze wou volop genieten van alles wat haar gezin, haar familie en haar vele vrienden met haar wilden delen in het ‘nu’ waarin ze zo graag leefde.  Voor haar was niet de ‘tijd die nog restte’ het belangrijkste, maar de ‘kwaliteit’ van hartelijkheid, oprechtheid en vriendschap waarmee ze haar dagen vulde en waarvoor ze helemaal beschikbaar was.

U denkt misschien dat ik romantiseer, dat ik achteraf een fraaier en mooier beeld schets van de manier waarop ze met haar ziekte omging dan het in werkelijkheid was.  Maar dat klopt niet.  Terwijl de kanker onzichtbaar, laf en verraderlijk in haar lijf woedde, bleef zij haar ziekte mentaal steeds de baas.  Ze liet zich niet klein krijgen door de ‘vieze beestjes’, zoals zij die noemde, maar ze bleef zichzelf totaal geven, ging opnieuw werken, ondernam nog heel wat reizen, ging op bezoek bij familie, nodigde vrienden en collega’s bij ons thuis uit en lachte veel meer dan ze kloeg.

De dag dat Claudine haar diagnose kreeg – “U bent ongeneeslijk ziek, mevrouw” – viel de hemel op haar hoofd.  Correctie: viel de hemel op ons hoofd, op het hoofd van haar man, haar twee dochters en haar moeder.  Maar diezelfde dag nog besliste ze om, zowel binnen ons gezin als naar onze ruime kennissenkring toe, volledige openheid en transparantie te hanteren in wat er met haar precies aan de hand was.  Dat was een cruciale beslissing.  In plaats van stilletjes in een hoekje te zitten wachten op al het onheil dat nog komen zou, nam ze het heft in eigen handen.   Op die manier hoefde ze niet rond de pot te draaien en kon ze meteen met open vizier bondgenoten zoeken om haar lange, moeilijke strijd aan te gaan en vol te houden.

Die avond zelf van de diagnose stelden we samen een e-mailbericht op om het slechte nieuws te melden aan onze familie en aan onze vrienden.  Het risico bestond dat sommige familieleden en vrienden raar of niet zouden reageren.  Of erger nog: dat ze ons in de toekomst zouden mijden, omdat ze de confrontatie met een kankerpatiënte niet zouden aandurven of aankunnen.  Maar we deden het toch, omdat dit een strijd was die we niet alleen konden aangaan.   Het eerste uur nadat we het e-mailbericht verstuurd hadden, gebeurde er niets.  Helemaal niets.  Maar toen kreeg Claudine het eerste antwoord van een goede vriendin.  Toen ze het las, barstte ze in tranen uit.  Niet van verdriet, maar van puur geluk.  Dat antwoord gaf haar zo veel energie en moed en kracht, dat ze er een zichtbare boost van kreeg.   De stroom aan positieve, bemoedigende energie is na die eerste avond nooit meer opgehouden, het hele ziekteproces lang.

Elke keer als we op consult gingen in Gasthuisberg, maakten we daarvan een klein verslagje dat we doorstuurden naar onze e-mailgroep, die overigens elke maand wat groter werd. 

Want mensen die thuis op bezoek kwamen, kregen steevast de vraag of ze ook graag op de hoogte werden gehouden van de evolutie in de gezondheidstoestand van Claudine en haast iedereen reageerde daar positief op. 

En na elk berichtje volgde dan telkens een weldoende stroom van reacties en commentaren, die moed gaven of soms gewoon een banaal dagelijks verhaal vertelden, van kleine dingen die herkenbaar waren en een glimlach op haar lippen toverden.  Natuurlijk kwamen de reacties sneller en uitgebreider als er positief of hoopvol nieuws werd verstuurd.  Maar ook toen het gevecht tegen de ziekte moeilijker werd en de verslagen over het bezoek aan de kliniek minder rooskleurig klonken, waren er altijd wel vrienden of kennissen die de juiste woorden vonden om toch voor die noodzakelijke sprankel hoop of die verlossende dosis humor te zorgen.

De strategie van open communicatie werkte ook sterk drempelverlagend.  Wanneer mensen op bezoek kwamen, waren er geen ellenlange voorzichtige inleidingen nodig: iedereen wist perfect wat er aan de hand was en wat de laatste update rond de ziekte was.  Geen wonder dat dit het zowel voor mijn vrouw als voor ons, als gezin, een stuk gemakkelijker maakte om op een natuurlijke, vanzelfsprekende wijze contact te houden met het grootste deel van onze familieleden en vrienden.  Openheid trekt openheid aan.  Communicatie lokt communicatie uit.

Natuurlijk waren er ook mensen die afhaakten.  En dat hebben we hen nooit kwalijk genomen.  Voor we thuis met fatale kanker geconfronteerd werden, was ik zelf ook helemaal geen held in het praten met of bezoeken van zwaar zieke mensen.  Maar dat heb ik intussen wel geleerd: je moet je voor een bezoek aan een zwaar zieke vriend of vriendin nooit zorgen maken over hoe moeilijk zo’n gesprek kan verlopen of hoe voorzichtig je moet zijn om mensen niet te kwetsen.  Laat de zieke zelf het initiatief nemen.  Als hij of zij je iets wil toevertrouwen, zal hij of zij dat wel doen.  Je moet de ziekte en hoe de patiënt die ervaart zeker niet uit de weg gaan, maar je doet er altijd goed aan om de persoon in kwestie niet te reduceren tot zijn of haar ziekte.  Dat kan best door gewoon te vertellen over hoe je je zelf voelt, om gewoon bij te praten over de dag die je beleefd hebt of de plannen die je hebt voor de volgende vakantie.  Hoe natuurlijker het gesprek kan verlopen, hoe meer plezier je er de patiënt mee doet.  Het is vooral belangrijk dat de zieke zich erkend en gewaardeerd voelt in zijn of haar relatie met jou en dat de ruimte opengelaten wordt om een zorg of een vraag te delen.

Onze beide dochters waren allebei nog tieners toen Claudine haar diagnose kreeg.  Ze hadden allebei een zeer hechte band met hun moeder en de vrees dat ze haar definitief zouden verliezen, was altijd latent aanwezig.  Ook tegenover hen is mijn vrouw altijd zeer open en eerlijk geweest.  Zo lang er hoop was op stabilisering en zelfs een lichte vertraging van de ziekte, waren onze kinderen de eersten die het vernamen.  Maar ook als het nieuws minder positief werd, kregen ze de informatie uit de eerste hand.  Eén keer hebben mijn vrouw en ik samen beslist om iets niet met hen te delen.  Dat was op 7 december 2012, toen de assistent van de prof bij wie ze in behandeling was, haar vertelde dat haar gemiddelde levensverwachting nog zes maanden bedroeg.  We vreesden toen dat onze kinderen verlamd zouden worden door het perspectief van eindigheid en door het besef dat de resterende tijd relatief kort was.  Dat is fout gebleken.  We hadden onze dochters onderschat en mochten we het vandaag kunnen overdoen, dan zouden we ook die extreem gevoelige informatie met hen hebben gedeeld.

Wat voor onze kinderen zeer belangrijk was, waren de talrijke ‘bedgesprekken’ met hun mama.  Gedurende de laatste weken van haar leven, bleef mijn vrouw vaak en lang in bed, omdat ze te vermoeid was om naar beneden te komen. 

Ellen en Karen gingen dan om beurt bij haar op het grote bed liggen en voerden eindeloze gesprekken.  Die waren heus niet allemaal droevig of zwaarmoedig.  Vaak haalden ze herinneringen op aan leuke momenten, aan reizen of anekdotes.  Ze namen dan al eens een fotoboek mee van vroeger, met reisverslagen of met herinneringen aan hun communie of aan schoolfeesten.

Maar het waren ook momenten waarop zeer ernstige vragen en angsten aan bod kwamen.  Zo bleek dat Claudine absoluut niet bang was om te sterven, maar wel om belangrijke episodes in het leven van onze dochters te missen.  Ze bedacht dat ze zich nooit oma zou kunnen voelen, dat ze nooit haar kleinkinderen in de armen zou sluiten, dat ze nooit zou weten hoe ze het verder in hun leven zouden waarmaken.  Dat was hààr grootste frustratie.

De kinderen kregen tijdens die ‘bedgesprekken’ op hun beurt de kans om alle vragen die ze in hun bange hartje hadden opgesloten, de vrije loop te laten.  Ze konden zonder hinder of gêne vertellen hoe zeer ze hun moeder zouden missen en hoe moeilijk ze het hadden met het afscheid dat stilaan onvermijdelijk werd.  Het waren geweldig intense en intieme momenten, die – excuus als dit een beetje raar klinkt – onvoorstelbaar veel deugd deden.  Mijn vrouw slaagde erin om de moeilijkste thema’s en de grootste taboes (lijden, verdriet, afscheid en dood) op een zo vanzelfsprekende manier ter sprake te brengen dat zelfs de meest gesloten bolster meteen openbloeide en er een deugddoend en bevrijdend gesprek uit volgde.

Kanker krijg je nooit alleen.

Terecht gaat tijdens het ziekteproces veel aandacht en zorg naar de patiënt.  Om hem of haar gaat het uiteindelijk in de eerste plaats.  Maar ook partners, kinderen, ouders, vrienden en kennissen worden mee door de ziekte getroffen.  Iedereen zal de ziekte in zijn of haar directe omgeving op zijn of haar eigen specifieke manier aanvoelen, verwerken en een plaats geven.  Maar we hebben elkaar in die omstandigheden hard nodig.  We kunnen niet zonder de steun en het begrip van mensen die ons de kracht moeten geven om verder te gaan, om vol te houden.  En daarin is communicatie levensbelangrijk.  Als we de zieke en onszelf afschermen van de rest van de wereld, creëren we een kloof die haast onoverbrugbaar is.  Als we proberen in alle openheid en transparantie de hoop en de vrees te delen waarmee we elke dag worden geconfronteerd, dan maken we elkaar sterker, geven we elkaar hoop en kracht en maken we de moeilijke tocht, doorheen een steeds wisselende roetsjbaan van emoties en perspectieven, leefbaarder en draaglijker.

Claudine stierf op 16 mei 2013.  Ze was omringd door haar gezin en ze nam afscheid met een lach op haar gelaat.  De dag voordien had ze ons, in een uitzonderlijk helder moment, nog gezegd hoe geweldig ze haar leven had gevonden en hoe gelukkig ze was met de mensen die rond haar bed stonden.  Dat beeld neemt de pijn van het afscheid niet weg.  Ook niet na vier jaar.  Maar de manier waarop zij met haar ziekte is omgegaan en erover heeft gecommuniceerd, helpt mij en onze kinderen elke dag om met haar positieve ingesteldheid en haar levensvreugde verder te gaan.

Gelukkig lopen vele verhalen van kankerpatiënten wél positief af en vindt de medische wereld elke dag nieuwe oplossingen.  Maar ook dan is menselijke nabijheid en open communicatie een noodzakelijke voorwaarde om de strijd te winnen.
Veel goede moed voor u allen, lieve Levenslopers!  En weet: ‘Mooi, het leven is mooi!’

zondag 16 april 2017

Paaswens 2017


Op deze zondagavond wens ik alle mensen van goede wil

de radicale en bevrijdende vrede van Pasen.

Niet de valse vrede van de seuten, die bij onrecht of geweld

stilletjes zwijgen in de hoop dat het wel vanzelf zal overgaan.

Niet de valse vrede van de heimelijke strategen

die eerst mensen kwetsen en tegen elkaar opzetten

en als het fout loopt beweren dat het allemaal zo niet bedoeld was.

Niet de valse vrede van het gemakkelijke opportunisme

dat zich zonder verpinken aanpast aan alle omstandigheden

en van overtuiging wisselt als van oude kleren.

Maar de actieve, bewuste en emanciperende vrede

van authentieke mensen die naar elkaar willen luisteren

en zich willen inzetten om van deze wereld een plek te maken

waarin iedereen zich thuis mag voelen,

waarin niemand nog bang of beschaamd hoeft te zijn

om begrip, respect en vertrouwen te vragen en te geven.

woensdag 5 april 2017

Binnenlandse zaken komt verplichtingen voor brandweer niet na

In 2015 werd een brandweerhervorming van kracht die gepaard ging met een sterke schaalvergroting van de hulpverleningszones. Het doel was de werking  efficiënter en de dienstverlening doeltreffender te maken. Of dat doel uiteindelijk gerealiseerd zal worden, moet nog worden afgewacht. Wat wél  al vaststaat, is dat de kostprijs van die hervormde brandweerdiensten fenomenaal is gestegen.

De federale overheid is wettelijk verplicht de helft van de meerkost van de hervorming te betalen en  de deelnemende steden en gemeenten de andere helft.  In de praktijk is dat echter helemaal niet het geval. 

Ondanks herhaald aandringen van de lokale partners bij minister van binnenlandse zaken Jan Jambon, komt zijn departement die wettelijke verplichting immers absoluut niet na.  Het gaat om aanzienlijke bedragen.

In brandweerzone Vlaams-Brabant West, bijvoorbeeld, is de verhouding ruwweg: 80% van de kosten voor de steden en gemeenten; 20% van de kosten voor binnenlandse zaken.

De cijfers tonen dit onweerlegbaar aan:

Jaartal                Subsidiërende overheid       bedrag (€)      percentage

2015                    lokale besturen                       27.500.000      83%

                            Hogere overheid                    5.513.186        17%

2016                    lokale besturen                       27.500.000      81%

                            Hogere overheid                    6.429.000        19%

2017                    lokale besturen                       28.435.000      80%

                            Hogere overheid                    6.948.000        20%

Vele gemeenten betalen nu reeds meer dan het dubbele aan toelagen voor de brandweerdiensten dan voor de hervorming.  Ze aanvaarden dan ook niet dat het federale beleidsniveau de verplichtingen die het zelf bij wet heeft vastgelegd, niet nakomt.

Nu het personeelskader van de nieuwe brandweerzones sterk onder druk staat, weigeren de gemeente- en stadsbesturen om nog maar eens diep in de geldbuidel te tasten voor een rekening die eigenlijk door binnenlandse zaken moet worden aangezuiverd.

De zonecommandanten van de brandweerzones wijzen de burgemeesters van de deelnemende steden en gemeenten regelmatig op hun verantwoordelijkheid in verband met de veiligheid van hun inwoners: indien de brandweerzones niet over de nodige middelen beschikken, kunnen ze hun basiswerking niet garanderen.  Die burgemeesters antwoorden nu op hun beurt dat hun steden en gemeenten financieel reeds veel méér hebben bijgedragen dan waartoe ze verplicht zijn en dat het nu aan de minister van binnenlandse zaken is om te doen wat hij wettelijk moet doen. 

Indien de brandweer in de nabije toekomst door gebrek aan middelen geen afdoende dienstverlening kan garanderen, dan zal het de schuld zijn van binnenlandse zaken en niét van de lokale besturen.  Het is hoog tijd dat na de lokale besturen, ook de federale minister van binnenlandse zaken zijn financiële verantwoordelijkheid opneemt.

Pacta sunt servanda.  Zowel in het oude Latijn als in het moderne Nederlands.

 

woensdag 22 maart 2017

Moeten de burgemeesters de provincies besturen?


Provincies komen weinig in het nieuws omdat ze voornamelijk een dienstverlenende, faciliterende en ondersteunende rol vervullen voor lokale overheden, verenigingen en vrijwilligers.  Daardoor zijn hun werking en hun actieradius minder bekend bij het ruime publiek, dat vaker en rechtstreekser in contact komt met bv. een gemeentebestuur.
Het is daarom goed dat gouverneur Jan Briers van Oost-Vlaanderen in ‘De Wereld Vandaag’ (Radio 1) op dinsdag 21 maart jl., naar aanleiding van een congres over lokale besturen, zijn visie gaf op de toekomstige rol van de provincies in het nieuwe bestuurlijke landschap dat volop door de Vlaamse overheid wordt voorbereid.
De gouverneur onderstreepte in zijn radio-interview enkele belangrijke uitgangspunten, die volgens hem illustreren welke belangrijke rol de provincies moeten spelen in die nieuwe context :

-         Hij stelt vast dat de provinciale administratie een zeer betrouwbare en degelijke partner van de lokale besturen is.

-         Hij noemt de provincie een onmisbare partner voor heel wat aspecten in het gemeentebeleid, zoals milieu, mobiliteit en klimaat. 

-         Hij wijst er – terecht – op dat er momenteel te veel semi-politieke bovenlokale structuren bestaan, onder de vorm van intercommunales, streekplatformen en andere samenwerkingsverbanden die soms weinig transparant werken, waardoor effectieve democratische controle moeilijk is.  Hij stelt voor om die bovenlokale taken te laten coördineren door het provinciale niveau.

-         Hij vindt dat we moeten kiezen voor een vereenvoudiging en reducering van de te talrijke bovenlokale structuren die vandaag bestaan.  Hij pleit voor één provinciaal platform.


Het is niet omdat deze basisanalyse klopt, dat daardoor meteen ook de beheersstructuur klopt die de gouverneur daaraan wil koppelen.  Op een aantal vlakken slaat de gouverneur, naar mijn mening, de bal grondig mis:

-         Gouverneur Briers stelt dat de provincieraad beter vervangen kan worden door een conferentie van alle burgemeesters van de provincie (in het geval van Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant: 65 burgemeesters).  Deze conferentie moet dan toezicht houden op de provinciale administratie. Burgemeesters zijn inderdaad de vertegenwoordigers bij uitstek van hun gemeente, maar ze zijn verkozen om de belangen van hun gemeente te verdedigen, niet om een bovenlokale administratie aan te sturen. Ze kunnen op die bovenlokale opdracht ook niet democratisch gesanctioneerd worden, tenzij door de kiezers van hun eigen gemeente of stad.  Burgemeesters maken nu al ‘ambtshalve’ deel uit van heel wat overleg- en beslissingsfora zoals het politiecollege en de politieraad van hun politiezone, de zoneraad van de brandweer, de syndicale overlegorganen, het burgemeestersoverleg, de veiligheidscel, de crisiscel, gemeentelijke adviesorganen, e.d.m.  Het lijkt me niet gezond om de taakbelasting en de persoonlijke bevoegdheid van alle burgemeesters nog verder uit te breiden met de controle op de provinciale administratie.  Ik vrees dat die provinciale controle en aansturing dan niet hun eerste zorg zal zijn en dat de provinciale administratie in dat geval, zoals bij sommige andere intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, autonoom en zonder al te veel checks and balances zal opereren.  Gouverneur Briers is er zich in zijn voorstel wél van bewust dat het provinciale niveau moet aangestuurd worden door een voldoende groot aantal vertegenwoordigers die alle regio’s en alle types van gemeenten en steden uit de provincie weerspiegelen.  Dat uitgangspunt gaat regelrecht in tegen de plannen van de Vlaamse overheid om het aantal provincieraadsleden (die als verloning geen fortuin ontvangen, maar eenzelfde ‘zitpenning’ krijgen als een gemeenteraadslid) te halveren en er op die manier voor te zorgen dat alleen nog de grote steden in de toekomstige provincieraden vertegenwoordigd zullen zijn. De provincieraad van de toekomst dreigt daardoor minder leden te tellen dan de gemeenteraad van een centrumstad.  Hopelijk wordt deze ondoordachte, louter symbolische hakbijl in extremis nog afgewend.

-         Heel wat intergemeentelijke samenwerkingsverbanden kunnen volgens gouverneur Briers vervangen worden door een ‘provinciaal ambtenarijenplatform’.  Daarmee ben ik het fundamenteel oneens.  De provinciebesturen beschikken over een zeer getalenteerd en gemotiveerd ambtenarenkorps, maar het is geen goed idee om die ambtenaren het ‘dagelijkse beheer’ van de bovenlokale taken eigenmachtig te laten uitoefenen, zonder effectieve aansturing of controle door een democratisch verkozen orgaan dat specifiek verantwoordelijkheid draagt voor die bovenlokale, provinciale taken. Ambtenaren werken beleidsvoorbereidend en beleidsuitvoerend, maar het zijn de democratisch verkozen leden van het bestuursorgaan, i.c. de provincieraad en de deputatie, die deze administratie aansturen, de beleidsprioriteiten bepalen en nadien ook controleren of de beleidsdoelstellingen werden behaald.  Gouverneur Briers stelt dat al die aansturings- en controletaken vervuld zouden kunnen worden door een ‘conferentie van burgemeesters’ die één keer per maand op het provinciehuis zou vergaderen.  Ik denk oprecht dat hij de rol, de inzet en het engagement van provincieraadsleden en gedeputeerden daarin volledig miskent.  Het is overigens een beetje vreemd dat een niet-verkozen ambtenaar die de provinciegouverneur is (een hoge en bekwame ambtenaar, maar wel geen verkozen mandataris), zich zo laatdunkend uitspreekt over de democratisch verkozen beleidsinstanties (provincieraad/deputatie) waarmee hij dagelijks samenwerkt om de bovenlokale taken van de provincie zo goed mogelijk te kunnen invullen.  Waarom zouden we, in dezelfde logica, dan niet voorstellen om het Vlaamse en het federale parlement af te schaffen en deze instellingen eveneens te vervangen door een ‘conferentie van burgemeesters’?  Dat zou pas een échte besparing inhouden en zou de voeling met de Dorpsstraat pas écht garanderen.  Maar iedereen die het politieke bedrijf volgt, beseft dat dit geen goede denkpiste zou zijn, omdat de zorg en de beleidsinteresse voor Vlaamse, federale en Europese beleidsthema’s een specifiek engagement, een specifieke tijdsbesteding en een specifieke expertise veronderstellen.  Net dezelfde redenering is ook van toepassing op het uitstippelen, coördineren en aansturen van bovenlokale samenwerking op provinciaal niveau.

-         Gouverneur Jan Briers beweerde in zijn interview dat op de conferentie over lokale besturen die hij had bijgewoond, er geen enkele politieke partij was die ‘njet’ zei tegen het voorstel om de provincieraad te vervangen door een conferentie van burgemeesters en om dat verkozen politieke niveau af te schaffen.  Ik moet hem tegenspreken. CD&V heeft zich alvast duidelijk uitgesproken voor een sterk provinciaal beleidsniveau met een autonome, democratisch verkozen provincieraad.  Dat is vastgelegd op het congres van november 2016.

-         Gouverneur Jan Briers stelde in zijn radio-interview dat de provincieraad slechts één keer per maand samenkomt en dat het voor burgemeesters dus geen grote supplementaire belasting zou betekenen om die taak van de provincieraadsleden over te nemen.  Die uitspraak kan ik moeilijk begrijpen. In elk provinciebestuur zijn er provinciale raadscommissies, waarop beslissingen voor de provincieraad vooraf grondig worden besproken, waarop gedeputeerden ter verantwoording worden geroepen en waarop experten toelichting komen geven over de technische aspecten van dossiers.  De sneer dat er slechts één raadzitting per maand is, klinkt bijna even populistisch als het ‘argument’ dat het parlement slechts één keer per week een plenaire zitting houdt en dat de parlementsleden voor de rest van de tijd geen parlementaire werkzaamheden zouden hebben.

-         De gouverneur van Oost-Vlaanderen verklaarde in zijn interview met Radio 1 ook dat de directies van de betrokken provinciale diensten “zoals in om het even welk bedrijf” zouden moeten instaan voor het dagdagelijkse beheer.  Als we ontsporingen, zoals die zich in bepaalde intercommunales hebben voorgedaan, willen voorkomen en vermijden (net omdat er géén of onvoldoende controle was door democratisch verkozen gezagsdragers), dan moeten we vooral niet streven naar een bovenlokale structuur waarin er minder controle en minder rechtstreeks engagement voor het beleidsniveau in kwestie wordt betoond.  Dan moeten we, integendeel, de democratische slagkracht en representativiteit van de provinciebesturen koesteren en versterken in het toekomstige bestuurlijke landschap van de lokale besturen.


Rechtstreeks verkozen provinciebesturen en hun deputaties zijn daartoe het geschikte instrument.

vrijdag 10 maart 2017

Kortenberg biedt volledige transparantie over politieke mandaten


Op de gemeenteraad van 6 maart 2017 deelde burgemeester Chris Taes (CD&V) mee dat de gemeente Kortenberg aan haar inwoners volledige duidelijkheid en transparantie biedt over politieke mandaten die door de leden van de Kortenbergse gemeenteraad (inclusief burgemeester en schepenen) worden uitgeoefend, zowel binnen de gemeente als in intergemeentelijke samenwerkingsverbanden.
Het college van burgemeester en schepenen had reeds enkele weken geleden de opdracht gegeven om alle functies en mandaten op te lijsten en kon melden dat sinds 6 maart 2017 het volledige overzicht raadpleegbaar is op de webstek van de gemeente Kortenberg (www.kortenberg.be).  Doorklikken naar ‘bestuur’ en dan doorklikken naar ‘overzicht mandaten’.  Het overzicht maakt duidelijk wie van welk bestuursorgaan deel uitmaakt en wat hij of zij daarmee verdient.
Niemand van de Kortenbergse raadsleden (inclusief burgemeester en schepenen) ontvangt méér dan het wettelijk toegelaten bruto-bedrag van 205 euro per bijgewoonde vergadering.  Integendeel: de meeste vergoedingen zijn een stuk lager.
Overigens zijn sinds 2007 alle ministers, parlementsleden, hoge ambtenaren, burgemeesters, schepenen en al wie lid is van een raad van bestuur van een intergemeentelijk samenwerkingsverband, verplicht om jaarlijks bij het Rekenhof een lijst in te dienen met al hun mandaten en moeten ze er bij vermelden of die vergoed worden of niet.  Iedere geïnteresseerde inwoner kan dit overzicht raadplegen op www.cumuleo.be .  Bovendien moeten deze mensen ook periodiek (minstens om de zes jaar) een vermogensaangifte indienen bij het Rekenhof met een detail van àl hun inkomsten (zowel uit de politiek als uit de privé), zodat bij een eventueel vermoeden van belangenvermenging kan worden nagegaan of ze zich al dan niet onrechtmatig hebben verrijkt.
Met deze beslissing komt het college van burgemeester en schepenen tegemoet aan de vraag tot volledige transparantie en openheid die niet alleen bij alle politieke fracties van meerderheid en oppositie in de gemeenteraad leeft, maar ongetwijfeld ook bij onze inwoners.

Belangrijke wegen- en rioleringswerken op de Sterrebeeksesteenweg

De gemeenteraad nam een belangrijke beslissing in verband met wegenis- en rioleringswerken aan de Sterrebeeksesteenweg.  Deze werken vormen een sleutelelement in het bestrijden van de wateroverlast in het gebied tussen Armendaal en de Vierhuizenstraat/Vogelenzangstraat.  Op de Sterrebeeksesteenweg zelf wordt het rioleringsstelsel helemaal aangepast en gescheiden, zodat het afvalwater en het regenwater in aparte leidingen worden opgevangen.  Het bestaande bufferbekken wordt vernieuwd en de capaciteit wordt gevoelig uitgebreid.

Samen met de geplande werken in de Vierhuizen-/Vogelenzangstraat en met de geplande aanleg van een supplementair bufferbekken aan de Populierenlaan, moeten deze maatregelen een structurele oplossing bieden voor de wateroverlast die in dit gebied te frequent voorkomt.

De totale kostprijs voor de aanleg van een gescheiden stelsel in de Sterrebeeksesteenweg wordt geraamd op € 1.566.193,86 (excl. BTW) of € 1.895.094,40 (incl. BTW).

Het aandeel voor de gemeente Kortenberg wordt geraamd op € 473.321,69 (excl. BTW) of € 572.719,24 (incl. BTW), waarvan € 81.724,38 (excl. BTW) of € 98.886,50 (incl. BTW) subsidieerbaar zijn vanuit de VMM (Vlaamse Milieumaatschappij).

Schepen van openbare werken Bart Nevens (N-VA) lichtte de wegenis- en rioleringswerken toe.

Straatverlichting vernieuwd en laagspanningsnet ondergronds in deel Schoonaardestraat


Schepen van openbare werken Bart Nevens (N-VA) kreeg van de gemeenteraad toestemming voor het ondergronds brengen van het laagspanningsnet en het vernieuwen van de openbare verlichting in de Schoonaardestraat, wat het gedeelte betreft tussen de Dorpsstraat en A. Dewitstraat.
De kostprijs voor het ondergronds brengen van het laagspanningsnet en het vernieuwen van de openbare verlichting in de Schoonaardestraat wordt geraamd op € 46.431,66 excl. btw (of € 56.182,30 incl. btw).