maandag 23 juni 2014

Een breed maatschappelijk debat



Het publieke politieke debat wordt steeds meer vernauwd tot individuele populariteitstests of krachtmetingen, in het beste geval tot stellingnames en beschouwingen over ‘tactiek’ of ‘strategie’ van politieke partijen, maar het gaat zelden over het soort samenleving waarin we willen leven.


In de voorbije verkiezingsstrijd was de overtuigingskracht van politieke partijen meestal niet gericht op het uitleggen van complexe maatschappelijke systemen en op het genuanceerd uitdiepen van modellen die de samenleving van de toekomst vorm kunnen geven.  De campagnes waren gericht op het lanceren van de beste slogan en de beste oneliner.


Na de verkiezingen is de aandacht dan weer veel meer gericht op wie het met wie zal doen en wie straks minister of premier zal worden, dan op de fundamentele keuzes die moeten worden gemaakt binnen een zeer beperkte, want internationaal gedicteerde, speelruimte.


Dat is niet nieuw.  Maar dat maakt het niet minder problematisch.


Eén van de basisoorzaken van deze nadruk op slogans, op (potentiële) conflicten en op een sterk vereenvoudigde weergave van de realiteit, is de doorslaggevende rol van de beeldmedia en van de sociale media in de opinievorming.  Deze media hanteren, door hun aard zelf, formats en syntagma’s die sterk beperkt zijn in tijd en in nuance en die steeds de aandacht van een zo ruim mogelijk publiek moeten kunnen blijven prikkelen.  Het gaat om ‘elementaire’ communicatie in zwart/wit-vorm.  Dit is geen verwijt, maar een vaststelling. 


Daardoor verschuift de focus naar universeel herkenbare patronen zoals ‘ruzie’ tussen personen of partijen, de publiek opvallende aspecten van openbare mandaten (de burgemeester die een halve marathon loopt of de premier die in zwembroek een nieuw zwembad in gebruik neemt) en de eeuwige wisselgang van trouw, bedrog, haat en liefde.


Toch is er vandaag meer dan ooit nood aan een breed maatschappelijk debat.  Want de ‘common ground’, de vanzelfsprekende eensgezindheid over de fundamenten van onze samenleving – al is het dan alleen nog maar onze westerse samenleving – erodeert snel.  Er is op dit ogenblik geen enkele externe gezagsinstantie die deze ‘common ground’ bepaalt of kan bepalen en dus moeten we zelf uitmaken wat in onze maatschappij de moeite is om te bewaren en wat absoluut veranderd moet worden.


Verandering op zich is een loze beweging als ze geen verbetering inhoudt.  En puur behoud maskeert vaak bescherming van eigenbelang en de angst om zichzelf in vraag te stellen.


Waarover zijn we het, als evenwaardige leden van ons type samenleving, (niet) eens en hoe kunnen we er een consensus over bereiken, die noodzakelijk is om de richting te bepalen die we uit moeten?  Dan hebben we het even niet over de kleur van de toekomstige coalities, maar over waarden en normen die, los van de partijpolitieke verschillen, de mogelijkheden en grenzen van ons maatschappelijk model bepalen.


Ik stel in mijn omgeving vast dat solidariteit niet voor iedereen een vanzelfsprekende waarde, laat staan ‘de’ norm is.  Moeten we zorg dragen voor mensen die uit de boot vallen of is het hun eigen schuld en moeten ze maar hun plan trekken?  Gaat het dan om een persoonlijke verantwoordelijkheid die we aanvoelen, of moet de omgeving van de persoon die in moeilijkheden verkeert dat oplossen, of is het een collectieve en dus structurele verantwoordelijkheid van het openbare bestuur?  Moet ‘ik’ solidair zijn, of ‘wij’ of ‘men’?  Of is het een gedeelde zorg?  Het vormt een essentieel verschil.


Maken mensen deel uit van onze samenleving om wie ze zijn of om wat ze doen of eenvoudigweg omdat ze mede-mens zijn?  Het antwoord op deze vraag bepaalt de principiële insteek voor het hele sociale beleid.  Gaan we uit van de vooronderstelling dat mensen in essentie het goede nastreven, met als doel hun eigen geluk en het geluk van hun partners, hun kinderen, hun familie, hun vrienden en de anderen, of stellen we dat mensen, als ze de kans krijgen, een wolf zijn voor hun medemens en van nature willen profiteren?  Dit uitgangspunt definieert de grondslag van hoe je met andere mensen wil (of moet) samenleven.  Welke mechanismen moeten we ontwikkelen om hetzij mensen kansen te geven en hun potentiële kwaliteiten tot ontwikkeling te laten komen, hetzij hen bij te sturen en op hun verantwoordelijkheid te wijzen?  Hoort dat überhaupt: mensen op hun verantwoordelijkheid wijzen of moeten we iedereen maar zijn/haar zin laten doen?


Willen we een harde samenleving, louter gebaseerd op de economische principes van vraag en aanbod, van prestatie en beloning, van dominantie en concurrentie, of willen we in onze omgang met elkaar ook rekening houden met aanleg, achtergrond, talent en diversiteit?  Verschilt de blik van een kind in Somalië essentieel van de blik van een kind in Vlaanderen?  Hoe beantwoorden we als land, als continent, als wereldgemeenschap dan het appel dat van zo’n blik uitgaat en welke keuzes maken we in dat verband?    


Hoe kunnen we vermijden dat jongeren zich uitgesloten voelen omdat ze onvoldoende kansen krijgen om op de arbeidsmarkt actief te zijn?  Hoe kunnen we oudere, actieve mensen helpen om zich niet waardeloos te voelen als ze na hun 55ste zonder werk komen te staan en als parasieten worden beschouwd?  Hoe kunnen we pensioenen betaalbaar houden door iedereen langer aan de slag te houden en er tegelijk voor te zorgen dat “de eindmeet halen op het werk” niet de ultieme levensverwachting vormt?


Hebben we, in volle herstelperiode na één van de ergste financieel-economische crises van de laatste decennia, de luxe om uit profileringsdrang of uit electorale overwegingen, de verschillende bestuursniveaus tegen elkaar uit te spelen en het ene openbare bestuur te gebruiken om het andere te bekampen?  Of moeten we, los van het bediscussiëren van heldere en liefst ondubbelzinnige concepten over de toekomstige staatsinrichting, op dit moment vooral oog hebben voor samenwerking en synergie tussen de verschillende openbare besturen?  


Er is een essentiële rol weggelegd voor politieke partijen, voor parlementen (van gemeenteraad tot Europees parlement, met wellicht een specifieke opdracht voor de nieuwe Senaat), voor onderwijsinstanties, voor het sociaal-culturele middenveld en voor de nieuwe media om over deze wezenlijke thema’s een breed maatschappelijk debat te organiseren en levendig te houden.  Niet alleen op Twitter, Facebook of in quotes van 15 seconden op tv, maar vooral in diepgaande en respectvolle discussies met jongeren en ouderen, met het middenveld, met scholieren en studenten, met oudercomités en vrijwilligerswerkingen, met verenigingen en wijkcomités, met iedereen die er – bewust of onbewust – belang bij heeft om een eigentijdse ‘common ground’ te creëren waarop de samenleving van de toekomst kan worden gebouwd.  We moeten daar tijd en ruimte voor maken, want de consensus zal er niet vanzelf komen.  Nochtans is die essentieel als basis voor een duurzaam samenlevingsmodel dat democratie, vrede, stabiliteit en ruimte voor vernieuwing garandeert.


Modellen van coproductie tussen openbaar bestuur en inwoners om een maatschappelijke consensus tot stand te brengen rond langetermijndoelstellingen bestaan wel degelijk in de praktijk.  Naar aanleiding van de 700ste verjaardag van het ‘Charter van Kortenberg’, de eerste keure die democratische rechten en vrijheden vastlegde op het Europese vasteland, schreven en ondertekenden de gemeenteraad (over partijgrenzen heen) en een honderdtal inwoners in 2012 een nieuw Charter voor de Toekomst van Kortenberg, waarin zes fundamentele maatschappelijke keuzes werden vastgelegd, waaraan het concrete gemeentebeleid vanaf nu getoetst wordt (http://www.kortenberg.be/2012-toekomst-voor-kortenberg_3.html#eye19154564) .


De voorbereiding van deze consensus kostte meer dan een jaar, maar het nieuwe Charter vormt nu een overlegd en gezamenlijk ijkpunt met een breed maatschappelijk draagvlak.  Wie neemt de handschoen op om dat brede maatschappelijke debat aan te gaan en verder te zetten?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten